Over hoe opruimen onverwachts poëtisch werd

Het einde is in zicht. De ruimtes die het langst zonder grondige inspectiebeurt bleven zijn aan een strenge opruimblik onderworpen. De orde in de chaos is hersteld.
Mijn belangrijkste bezorgdheid is de levensduur van het resultaat van deze noeste arbeid. Ik woon immers samen met een bijzondere, lieve man en de magische vier. Minstens twee leden van dit selecte clubje voelen zich bedreigd door geklasseerde papieren, gesorteerd speelgoed, een strakke scheidingslijn tussen af te wassen en afgewassen servies …

Klasseren, sorteren, verslepen van spullen … het levert langvergeten schatten op. Tussen gebruikte bladen steekt een treinbiljet dat dateert uit onze begintijd, een verloren gewaande kleurendobbelsteen is terecht. Ons lijvig familiestamboomboek krijgt eindelijk de plaats die het verdient.

De jongenskamer verliest na bijna een jaar haar status van opslagplaats. Net voor de start van ons masterplan ‘verbouw eens een huis’ sleepte mijn eigenste moeder  (dank je wel!) – een baby in productie zorgde voor gedwongen platte rust – alle boeken uit de boekenkasten die onze woonkamer de nodige wijsheid gaven naar de tweede verdieping. Mijn dierbare schatten kamperen er sindsdien in appel- en pamperdozen – stevige opbergers, een aanrader voor al wie nog wil verhuizen of verbouwen.

Door de reorganisatie van de voormalige kinderkamer verandert haar status in logeer/opbergkamer. Tijdens al dat verhuizen piep ik snel eventjes in alle dozen. De vele boeken glijden door mijn handen. Jeugdboeken, grote-mensen-boeken, boeken geschreven door nobelprijswinnaars, boeken over Afrika … In de laatste doos vind ik een van de weinige poëzieboeken die mijn boekenverzameling telt.
Met de glimlach denk ik  aan vervlogen tijden. Toen ik  ik dit fantastisch boek kocht, woonde ik in Torhout. Elke woensdagmiddag reed ik naar mijn geboortestad om de lessen voordracht aan de academie te volgen. Het was een fantastische tijd. Als vrijgezel had ik nog geen enkele verplichting. Met volle teugen genoot ik van het vrije leven. Ergens in mei stond het examen voordracht geprogrammeerd. Het werd mijn meest doorleefde optreden ooit. Ik stond toen op de planken met een gedicht van Tjitskes Jansen uit dit prachtige boek.

Geniet even mee …

11015807_816696521736051_2655749601407399966_n“De idioot op het dak

Ik vroeg de jongen op mijn werk – dat bestaat uit peperoni, melanzane en cariofi
in bakjes scheppen, kip en friet en gamba’s bakken, salades maken, enzovoort,
ik deed de koude kant vandaag en hij de warmt – of we na het werk wat gingen
drinken. Na het werk gingen we wat drinken.

Er was een jongen die de Domtoren op zijn arm had laten tatoeëren, een jongen
die Chris heette, een jongen die later weer in Groningen ging wonen,
er was een jongen die het woord wist voor de geur die hertenwijfjes afscheiden.

Diezelfde avond fietste ik, stomdronken, naar mijn ex. Even kijken of zijn fiets
er stond. Die stond er. Eén keer aanbellen. Nog één keer
Ik herinner me wat hij me over stalkers heeft verteld: die moet je negeren.
Ik wil niet dat hij me negeert. Ik bel nog een keer aan. Heel lang.

Steeds als ik denk: nu laat ik de bel los, laat ik de bel niet los. Hij doet nog steeds
niet open. Ik zoek waar ik beginnen kan met op het dak te klimmen. Een paar
daken van zijn dak vandaan is een begin. Ik begin met op het dak te klimmen.
Als ik drie daken heb gehad, ik ben er bijna,

gaat er een dakraam open. Een vrouw schreeuwt godverdomme, een mannen-
hoofd verschijnt. Ik heb nog nooit van zo dichtbij, vanuit dit perspectief
een mannenhoofd uit een dakraam zien steken. Ik zeg: Ik ben geen inbreker,
ik zeg dat ik me schaam, ik vraag of hij vroeg op moet morgen.

De man geeft me geen kans verder te klimmen. Hij blijft met zijn hoofd
uit het dakraam. Er gaat nog een dakraam open. Ik had nog nooit één
mannenhoofd van zo dichtbij uit een dakraam zien steken, laat staan twee
tegelijk. Zitten blijven! zeggen ze. Zitten blijven! Ik vraag me af of ik een
strafblad krijg.

De politie is gearriveerd. Waar is hij? Hoor ik vragen. Het is een vrouw.
Ik begeef me naar de dakrand om me te laten zien. Het is een soort optreden,
maar dan van onderaf belicht. Er is ook een hond bij. Een labrador
die op mijn ex lijkt. Die is ook blond.

Ik klim naar binnen door het dakraam van het eerste mannenhoofd. Ik sta
op een zolder. Ik zie de vrouw die godverdomme riep, ik aai de hond, ik zeg.
Sorry, sorry, sorry. Ik zeg: Ik ben geen inbreker.

Iemand vraagt me hoe ik op het dak gekomen ben. Iemand vraagt me
waarom ik dit deed. Liefdesverdriet, zeg ik. Ja, zegt een politieman,
uit liefdesverdriet kun je rare dingen doen. Hoe heet je? vraag ik hem.
Ik heet Paul, zegt hij. En waar woon je?”

Uit ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen‘ geschreven door Tjitske Jansen uitgegeven bij Uitgeverij Podium-Amsterdam – 2003.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s